Starend naar het oneindige

Denken, peinzen, uitrekenen en alles weer opnieuw op te bouwen, geen idee wat te doen en hoe die stroom aan ideeën te ontvouwen.

Wat moet je doen met al die vragen in je hoofd,
er aan toegeven? Het resultaat laat me verdoofd.

Het weten van het branden en het kleuren van mijn kaken,
de herinnering aanwezig in vele diverse smaken.

Geen enkele gedachte vanuit één perspectief bekeken,
klaar met ideeën over gedachten uit verre streken.

Wat te doen, wat te zeggen en wat bedoel ik nu precies,
geen idee hoe het uit te leggen en toch voert het devies.

Als klein kind gebonden binnen de gedachten van mijn eigen creatie, twijfelend of ik zit te wachten op afwijzing of felicitatie.

Rijzend over mezelf en de horizon die het einde markeert,
in het hier en nu ben ik degene die het leven begeert.

Water

Het water dat langs de rotsen glijd,
terwijl de stroming in het gesteente snijd.

Ver weg van de kust en enkel rotsen,
waar de elementen steeds weer botsen.

Nimmer eindigend, altijd aanwezig,
de rots van kleerkast tot enkel pezig.

Het is gras en mos die de steen een nieuw gestalte geven,
blind in zijn functie het doorgeven van leven.

Het spel der geliefden als eb en vloed,
de rots die onbedoeld de zee weer voed.20160820_143539

Puzzelen

Puzzelend met de stukjes in m’n hoofd sta ik hier stil, klein en gedrogeerd.
Welke stukjes passen hier en welke daar ik heb het al zoveel malen geprobeerd.

Ieder stukje bekeken, omgedraaid en opnieuw gepakt.
De stukjes die passen uit zekerheid met lijm vast geplakt.

Had ik deze nu zojuist al vast of is deze toch net iets anders dan de laatste.
Puzzelen met de stukjes verworven met kennis of uit wijsheid die haastte.

Draaiend met het kleine stukje eindeloos in m’n hand.
Twijfelend aan mezelf, aan de puzzel en aan mijn verstand.

Kijkend naar de illustratie zo verfijnd en gedetailleerd.
Gewapend met de kennis uit vele jaren mezelf aangeleerd.

Verderop zit een ander te puzzelen zoals ik onbewogen.
Immer in de puzzel, compleet in gedachten en schijnbaar afgewogen.

Kijkend naar de ander en de puzzel daar op tafel.
De woorden gesproken maar het klinkt als gebazel.

Geen advies welke ik tot me kan nemen of begrijpen toch zover gevorderd.
Terwijl ik hier zit met die puzzel, half aangemodderd.

Nogmaals vraag ik de ander wat we aan het puzzelen zijn.
De mond spreekt woorden maar het klinkt mij als Latijn.

De tomeloze expressies die het gezicht verraden.
Ik probeer ze te lezen maar de ogen laten versmaden.

De eindeloze zucht die langzaam de mond verlaat.
Die enkele uiting die heel het wezen verraad.

Opnieuw buig ik me over de puzzel die voor me ligt.
Boosheid van binnen en de traan die in m’n ogen zit.

Als ik nu zou weten wat ik aan het puzzelen ben.
Frustraties over het niet kunnen handelen van wat ik niet ken.

Gevangen in een web vol met stukjes die alsmaar draaien.
Vast zonder het te weten terwijl m’n handen naar de stukjes graaien.

Puzzelend met de stukjes in m’n hoofd hang ik hier stil, klein en gedrogeerd.
Welke stukjes passen hier en welke daar ik heb het al zoveel malen geprobeerd.

Hoon en azijn

Hoon is wat volgde op de preken van velen,
niet in staat een wereld vol wonderen te delen.

Gebonden binnen de kaders van mijn eigen denken,
zoveel te doen, zoveel te zeggen en zoveel te schenken.

Waar ligt het tij en waar zijn de dromen,
verbonden aan tijd en normen te schromen.

Onbegrepen woorden gevoed in gedachten,
strijdend tegen hetgeen wat “we” verachten.

Wortels begraven zo diep en geaard,
gevoelens zo aanwezig maar immer gespaard.

Dromen uitbundig vol van leven en allure,
dromend de dromer in z’n bravoure.

Gebonden aan regels die de zijne niet zijn,
veranderen de wijn in het bittere azijn.

Schuld en geweten

Trouw aan mezelf of aan een ander,
intenties gezet, goed bedoeld dom of schrander.

Het hoogste doel is mijn verwachting,
het resultaat afhankelijk van verzachting.

Duidelijk aanwezig en toch in de war,
sprintend of toch het paard achter de kar.

Schuldgevoelens knagen in de diepte,
treurig de wilgen terwijl ik dit typte.

De enige leidraad die ik ken en vergift,
geweten, trots en eer in steen geschrift.

Intenties zo goed bedoeld als dromen,
laten de regen het zand van het lei stromen.

Ik ken mezelf als geen ander, al zou ik anders willen,
laat de luwte dit gevoel van schuld bekillen.

Vogels in de lucht

Als vogels vliegend door de lucht zo hoog,
strijkend, flappend van thermiek naar epiloog.

Verwonderd over de wereld daar beneden,
welke ooit door m’n voeten werd betreden.

Maar eerst of later buiten beschouwing,
starend naar muren en bebouwing.

Vluchtend, klauwend nemend de slok,
verwilderd, angstig dat ik ervan schrok.

Veilig beneden, starend naar omhoog,
zoekend in spiegels naar waarom die loog.

Kijkend in een reflectie zo troebel en vaag,
zuchtend, verlangend naar die ene vraag.

Ben ik mezelf, een ander of toch diegene,
ben ik nu boven, hier of daar beneden?

Woorden

Beloftes om te verzekeren,
vragen die van alles betekenen.

Rust en vrede laag voor laag,
onrust of chaos voor vandaag.

Gebonden aan gesproken woorden,
mijmerend over verre oorden.

Wakker, dromend of een illusie,
ieder maakt z’n eigen intrusie.

De woorden welke makkelijk komen,
tranen die over de wangen stromen.

Stevig gesproken en toch trillend,
de betekenis voor één ieder verschillend.

Het gesproken woord zo eenvoudig gezegd,
jouw beleving en toch zo echt.

 

Verdwaald in een dagdroom

Verdwaald in een dagdroom

Een vreemde situatie waarin ik je tref, ik kan je niks vertellen behalve de antwoorden op je vragen. Die hebben niks van doen met hetgeen wat ik je zou willen vragen en als je me het zou vragen, zou ik dan durven zeggen wat ik dacht? Mag ik je vertellen dat je me integreert en dat je aanwezigheid en opmerkingen met uit balans brengen. Zou je willen horen dat ik je ogen beter wil kunnen zien en als ik dan toch dichter bij mag komen dat ik benieuwd ben hoe je ruikt. Hoe de huid op je gezicht aanvoelt en over je kaaklijn heen loopt, hoe de structuur van je huid onder m’n vingertoppen stroomt, die vanaf hier zo zacht lijkt te zijn. En als ik dan toch zo dichtbij ben zou ik dan ook nog mogen voelen hoe je lippen aanvoelen en of het tintelt als ik zachtjes met m’n vinger er overheen strijk. Zou je schrikken als ik naar je oortjes zou zoeken terwijl ik je geur probeer op te snuiven om deze vast te leggen in m’n gedachten. Zou je m’n hand vastpakken wanneer ik met m’n vingers van je oren langs je nek naar beneden glijd?

Je opmerking gaat verloren terwijl ik me realiseer dat we niet alleen zijn, rood kleurt m’n kaken, wangen en oren terwijl ik zoek naar een veilige plek in een veel te kleine kamer. 8 ogen schenken mij hun volledige aandacht en ik probeer te vluchten. Een kenner grapt dat ik de komende half uur stil zal zijn, recalcitrant als ik ben schieten de opmerkingen door m’n hoofd. Ik kan onmogelijk nu stil zijn terwijl zij daar zo zit, ik probeer haar aan te kijken en twijfel over wat ik denk. Haar mond krult in een glimlach en ze kijkt lief of is dat hetgeen wat ik wil zien? Als ik nog roder kon worden dan dat ik al was zou het pijn doen. Ik voel ik m’n wangen branden en lach ik terug, stilletjes kijk ik naar het papiertje in m’n hand.

Ik probeer de tekst op het papiertje te lezen en bij te blijven met de rest. Overal rennen poppetjes in m’n hoofd door elkaar heen. De ene groep probeert krampachtig te luisteren en de andere groep probeert me te forceren om toch weer te kijken. Ik kijk naar links naar de dame die later kwam binnenlopen, haar mond is klein en haar ogen komen duidelijk naar voren met de opgebrachte make-up, de dame in het midden gebruikt iets teveel make-up maar gelukkig maken haar ogen het gebruik goed waardoor ik me er niet aan irriteer. De dame rechts is de dame met de diepe bruine ogen welke ik niet goed genoeg kan zien, haar gezicht toont vele zachte kleuren en haar leeftijd is me een raadsel. Ik besef me dat ik aan het staren ben als de dame in het midden me aan blijft kijken, het terug kijken maakt de situatie helemaal ongemakkelijk. Alsof ik me betrapt voel duik ik weer terug naar het papiertje. Ik besef me heel goed dat ik niks weet over de dame aan de rechterkant en in gedachten probeer ik de vragen in te vullen. De vragen gaan verloren als ik opkijk wanneer er klaarblijkelijk een vraag word gesteld welke ik opnieuw niet goed registreerde.

Ik voel me nu helemaal aangekeken en dat terwijl de vraag niet eens voor mij bestemd is. Ik probeer te helpen in het beantwoorden van de vraag maar mis een heel scala aan antwoorden omdat m’n gedachten elders worden ingenomen. In een wereld van mijn fabricaat, een wereld gevuld met geuren, kleuren en structuren. Vormen die je kunt aanraken en gevoelens die zich als een wervelvind in een baan om me heen draaien. Hier is geen onduidelijkheid van woorden, hier telt enkel het gevoel en de intentie van wat ik ben. Zou je me volgen als ik je hand zou vragen en deze zachtjes zou omklemmen met mijn hand? Zou je me laten vertellen over wat ik zie en voel, zou je het met me willen delen?

Opnieuw een kleine glimlach, zou ze weten hoezeer ik vecht tegen al die gedachtes en gevoelens, zou ze weten van die eeuwige strijd die om me heen raast en dat ik moe ben? Zou ze weten hoe graag ik even m’n hoofd wil neerleggen in plaats van rechtop te houden? De gedachte dat ik niks van haar weet galmt als een echo door m’n hoofd en ik staar weer naar het papiertje. In gedachten denk ik na over het afgelopen uur en aan alle dingen die ik heb gezegd maar met name aan de dingen die ik niet heb gezegd onder het motto van omgangsvormen. Het grapje wat ik wil maken mislukt volledig wanneer ik de nietmachine laat stuiteren en mezelf de kamer uit werk. De dames in de kamer lachen en ik kan niet inschatten hoe ik de lach moet interpreteren en haast mezelf naar buiten. Nu heb ik haar ogen nog niet goed kunnen zien en blijf ik denken of je wist wat ik dacht.

Simpel toch?

Zoete geuren vullen m’n neus terwijl ik door de tuin loop, de bloemen bloeien om en om en het onkruid lijkt weer langzaam op te komen. Misschien is dat wel hetgeen wat ik het leukst vind aan de tuin, het feit dat het nooit af is. Geheel willekeurig hurk ik bij een stukje waar de barbecue staat met de tomatenplantjes, uit het ontluchtingsrooster aan de zijkant groeit een raar soort kruid waar ik de naam niet van ken. Ik besluit het te laten staan daar ik de moeite wel kan waarderen. De zon schijnt aangenaam terwijl een zacht briesje de nodige verkoeling brengt. Zoals altijd probeer ik zoveel mogelijk de wortels mee te nemen wanneer ik één voor één de graspollentjes eruit trek en ze op een stapeltje parkeer om ze later in de groene bak te gooien. De blauwe lucht maakt me dromerig wanneer ik naar boven staar en de wolken langzaam zie passeren. Figuurtjes maken blijft leuk en ik zie de ene vorm na de andere voorbij komen. Soms veranderen ze langzaam van vorm en soms denk ik bekenden te kunnen zien en vraag ik me af of anderen het ook zien. Het is jammer dat je in de auto zo weinig tijd hebt om er figuurtjes van te maken, dat zo helemaal ideaal zijn maar zo nu en dan wanneer ik in de tuin bezig ben is ook prima.

Snor komt zoals gewoonlijk kopjes geven en vind het nodig om er lawaai erbij te maken ook, de sukkel besluit door te lopen en in m’n olijfboompje te gaan hangen waarbij de jonge kleine takjes meedeinen wanneer hij erop gaat liggen. Ik zal zo eens kijken of hij nog vers water heeft, mocht ik het vergeten dan herinnert die slijmbal me er wel aan. Bijtjes verzamelen zich om de lavendel en laten de dunne stengels veren door hun gewicht. Het gezoem dreunt zachtjes door de lucht terwijl Poes er tussen in licht, haar ogen gesloten terwijl ze lichtjes snurkt. De vuurpot staat open en ik vraag me af of ik die misschien soms dicht moet doen, ach nu fungeert het als afvalbak voor groen afval tot het volgende fikkie. Binnen gaat de timer van de oven af, om me te herinneren dat de vis er al 25 minuten instaat en ik de rösti’s erbij moet zetten. Ik gooi m’n handje vol onkruid op het hoopje bij het pad erbij en loop naar de keuken toe, voorbij het vliegengordijn en de kraan open om m’n handen te wassen. In gedachten tel ik de seconden mee om de tijd een beetje in de gaten te houden en mezelf te herinneren de rösti’s niet te vergeten. Gelukkig had ik ze al op zilverfolie klaar liggen en na liggen ze snel genoeg in de oven naast de vis.

De muziek uit de huiskamer klinkt bekend en ik loop snel naar de stereo om het volume harder te zetten, dansend alsof niemand het ziet (en dat is ook zo) beweeg ik door de huiskamer terug naar de keuken om de timer aan te zetten die ik bijna was vergeten. Meezingend op het nummer steek ik wat kaarsjes aan terwijl ik me besef dat ik glimlach. Soms is simpel, simpel genoeg.

Glas

Stilte, van het één op het andere moment stilte. Alsof de achtbaan ineens van stroom is ontsloten en alles op z’n plaats valt. Het verschil laat me duizelen en nuchter inventariseer ik de schade. Scherven tot waar mijn zicht reikt en nergens een lege plek om veilig te kunnen staan. De scherven op de grond, de scherven in m’n voeten, alles lijkt ineens merk- en voelbaar. Terwijl de informatieverwerking in m’n hoofd overuren draait analiseer ik de omgeving voor een 2e keer.

Muren ontsierd van posters en spiegels, teksten veelal niet meer leesbaar en reflecties te klein om echt iets te zien. Het aanblik lijkt op een orkaan in een huiskamer met teveel spiegels. Heel even flitsen er beelden door m’n hoofd van hoe het geweest moest zijn toen de tornado z’n aankondiging maakte. Ergens twijfel ik of ik de tornado de schuld kan geven van de ravage die ik hier vind of dat ik moet erkennen dat mijn eigen wezen ter verantwoording geroepen moet worden. Beide scenario’s geven nog teveel variabelen om conclusies te kunnen trekken terwijl ik langzaam naar de deur loop. Pijnscheutjes trekken vanuit m’n voeten omhoog terwijl ik naar beneden kijk en m’n pas stop. Verbaasd neem ik de schade op die me eerder niet opviel. Het optillen van m’n linkervoet gaat langzaam terwijl rechts schreeuwt voor lastverdeling. De zool van m’n voet lijkt als nieuw, alles is rood en plakt. Instinctief veeg ik met m’n vinger langs m’n voet en proef ik de zoete geur van m’n eigen bloed. Lang kan ik me niet verbazen en dwingt m’n rechtervoet dat ik de linker terug zet. De pijn van het plaatsen is niks in verhouding met de ontlasting die rechts dankbaar in ontvangst neemt. Het verplaatsen van het gewicht over beide voeten doet me goed. De emotie en mijn eigen perceptie lijken naadloos over te gaan in de leegte om me heen terwijl m’n mond droger en plakkerig lijkt te worden.

Heel even lijkt de kamer te draaien terwijl ik me op de deur blijf focussen, versprong de deur nu zojuist naar links of is mijn waarneming vertroebelt? Ik weet niet hoeveel stappen of hoelang ik ervoor nodig had om bij de deur te komen, maar opeens stond ik ervoor. Een kleine deur in een te grote kamer, nog geen 2 meter hoog en geen 90cm breed en toch leek de kamer erom heen gebouwd. De ronde klink uitnodigend om omgedraaid te worden, langzaam steek ik m’n linkerarm uit om de klink aan te raken en om te voelen of het echt is en niet mijn verbeelding. De knop voelt stevig en langzaam draai ik het linksom, een klik klinkt en ik laat de klink los. Langzaam draait de deur naar buiten open en een frisse aangename lucht komt me tegemoet. Voordat ik het zelf door heb sta ik al enkele passen buiten en kijk ik om me heen. Torens en muren gevolgd door bomen en parken vullen het landschap, vogels fluiten en vliegen van boom tot boom terwijl ik de lucht inadem en even binnenhoud. De lucht kleurt paars en de wolken lijken transparant aan de hemel te staan terwijl ik de paden bestudeer die voor me liggen.

Een misplaatst bankje aan de rand van het parkje waarin ik mij bevind bied rust, m’n voeten zijn rood en met aarde besmeurd. Ik voel de glasstukjes onder m’n zolen maar het lukt me met geen mogelijkheid om ze uit m’n voeten te halen. Googelend met stokjes en blaadjes probeer ik toch om m’n voeten te ontzien van oneffenheden, hoezeer ik ook prik en frot ze lijken hun plaats onder m’n voeten permanent ingenomen te hebben. Wanneer de schaduw van de boom over me heen valt en tijdsbesef langzaam begint te werken sta ik op en loop ik naar het eerste pad wat mijn ogen zien. Het lopen gaat nog ongemakkelijk maar bij iedere stap lijkt het steeds vloeiender te gaan. De bomen langs het pad lijken te bloeien zoals de meest gezonde bomen die ik ooit heb gezien, vele kleuren groen sieren de bladeren en de bast lijkt wel vloeibaar onder alle accenten die het toont. Wanneer ik m’n hand uitstrek naar de bast om te controleren of het echt vloeibaar is of toch mijn verbeelding, lijkt de boom weg te deinen van mijn hand. Verrast raak ik de bast aan, het moment vond later plaats dan ik dacht door het deinen. Als verf met een laagje voelt de bast aan, de kleuren mengen zich waar ik de bast aanraak. Pijn schiet door m’n vingers terwijl ik snel mijn hand wegtrek. Kleine sneetjes lopen over m’n vingertoppen en stukjes glas glisteren door het bloed heen. De verfbast van de boom mengt moeiteloos mijn bloed met de vele kleuren bruin tot een nieuwe kleur.

Om en om stop ik vingers van mijn linkerhand in m’n mond om het bloeden te stelpen, een warme ijzersmaak vult weeïg mijn mond terwijl ik over mijn schouder heen kijk. De transparante wolken lijken zwaarder en rommelen in de verte en de paarse gloed veranderd langzaam in donkerblauw. Ik probeer nog even met m’n tanden probeer om de stukjes te vinden zodat ik ze uit m’n vingers kan halen maar hoe ik ook zoek en bijt ik voel ze enkel door m’n vingertoppen heen bewegen. De lucht voor me kleurt nog paars en begin ik te lopen richting het park. Als verstomd sta ik stil en draai ik me om, ik hoef het niet te controleren maar instinctief draai ik me om. De deur waardoor ik hier gekomen was is weg, niet alleen de deur is weg maar de hele muur die erom heen stond is weg. Alsof ik het wist haal ik m’n schouders op en loop ik verder. Zolang ik op het pad loop merk ik niks of weinig van m’n voeten maar zodra ik het pad verlaat om de omgeving te bekijken lijkt het glas in m’n voeten naar boven te kruipen en me te dwingen om terug naar het pad te lopen. Ik doe m’n best om alle nieuwe dingen die ik tegen kom niet aan te raken, het kost me moeite om deze impulsen te negeren. Zo gewend om alles aan te raken, te voelen, de structuur waar te nemen. Is het poreus, vast of glad of krijg ik er kippenvel van zoals met sommige papiersoorten. Inmiddels zijn de vingers van beide handen gevoelig en rood, maar alles om me heen lijkt nieuw en mooi en ik ben steeds te laat om mezelf af te remmen.

Ik merk dat ik boos begin te worden, niet het zinloze boos wat ik graag verwerp en veroordeel maar de inwendige boosheid die je voor niemand behalve jezelf hebt. Irritatie vult me terwijl ik m’n hand snel wegtrek voordat ik weer iets aanraak en het pijn doet. Mijn stappen is stampen geworden terwijl ik mezelf gesel om op het pad te blijven. De tweestrijd vangt zich hernieuwd aan wanneer een witte bloem aan een enkele stam groeit. Ik kan niet bepalen of het een struik, boom of plant is, de lucht draagt een geur die enkel van de bloem kan zijn en lokt me van het pad af. Een onhandige tuimeling laat me vallen als mijn benen dienst weigeren. Mijn onderarmen klappen op het gras en verwachten zacht opgevangen te worden maar meteen trekt pijn door m’n lichaam heen. Ik schreeuw en probeer haastig overeind te komen, nog op m’n knieën lanceer ik mezelf terug op het pad. Met een luide plof land op het pad terwijl bloed van m’n handen en armen naar beneden stroomt. Mijn knieën lijken wel met een schuurpapiertje bewerkt. De paarse lucht is donkerblauw en alles word donker, het pad voor me lijkt spontaan te eindigen en achter me is de weg terug verdwenen. Terwijl om me heen alles in chaos verkeerd en het landschap van mooi naar ruig veranderde is het sereen in mijn hoofd. De boosheid is aanwezig maar is niet alleen. Spijtig besluit ik dat de term boosheid niet genoeg accenten heeft om correct gebruikt te worden. Als stemmen in een zaal klinken de beschuldigen van links naar rechts. “Leer eens luisteren!” “Wees niet zo koppig!” “Doe normaal” “Snap je dit nu echt niet?” De verwijten lijken zich op te bouwen terwijl de chaos van buiten langzaam binnendringt. Als mijn inwendige sta ik stil in de zaal, de stemmen bulderen en laten m’n lichaam trillen. Bloed loopt naar beneden en laten een rood spoor achter in de witte zaal. Met de handen op de oren in de hoop het geluid weg te drukken loop ik door, ik loop door hoezeer alles schreeuwt om stil te blijven staan om even bij te komen, om even niet te horen waar ik niet voor kan ontsnappen. “STA STIL!” Buldert een stem en de kracht ervan duwt me om. Rollend over de vloer krabbel ik mezelf overeind en blijf ik lopen. “STOP!” Schreeuwt een stem terwijl een muur van geluid tegen me aan knalt. Het kost me moeite om te blijven staan, ik kan niet zien waar de stemmen vandaan komen en vluchtig kijk ik over m’n schouder. De voetstappen achter mij glinsteren rood en lijken kris kras door elkaar te lopen. Ik voel m’n voeten niet meer, alles boven m’n knieën brand en trekt door me heen terwijl m’n armen om me heen zwaaien in krampachtige slagen om de pijn te ontwijken.

Voor me verschijnt een deur en mijn passen worden sneller en sneller. Nog 2x word ik ondersteboven geworpen door de stemmen, wat ze riepen klonk duidelijk maar ik wil het niet horen. Ik wil niet horen waar ze boos over zijn, ik wil niet horen wat ze denken. Ik wil naar buiten, naar die ene deur weg van hier van de herrie, weg van de stemmen. Sneller dat ik dacht sta ik voor de deur, geen knop of klink te bekennen terwijl ik m’n schouder tegen de deur aansmijt. De knal lanceert me naar achteren en ik voel m’n hoofd tegen de grond aanklappen. Tijd en zicht lijken wazig terwijl ik me meteen overeind duw. De stemmen schreeuwen om en om terwijl ik terug naar de deur strompel. Overal ligt bloed, maar het maakt niet uit. Alles brand, ik brand, niets brand. Met m’n armen naar de zijden opgeheven lijk ik het lawaai te verstoren terwijl de deur zich in mijn gedachten vormt. Mijn handen trillen maar het schild lijkt te werken. Ergens in mijzelf binnen mijzelf vind ik hetgeen wat ik zocht, ik kijk naar links en dan naar rechts. Ik weet dat ik de stemmen niet zal zien, maar ik kan ze horen. Ik schreeuw, alles brand en ik brand, ik sta in brand, vuur lijkt mijn stem terwijl ik het schild blijf dragen. Gedachten schieten door m’n hoofd, ongecontroleerd, ongefilterd terwijl ik mijn armen in één sla. De klap versterkt door de stemmen die ik zolang tegenhield vagen alles weg terwijl ik ineen zak.

De lucht kleurt paars terwijl ik langzaam m’n ogen open doe. Mijn oren suizen en verstoring lichtjes mijn oriëntatie gevoel. Ik ga zitten en kijk voorzichtig om me heen, de vogels fluiten en vliegen van boom tot boom. Kleine eekhoorntjes schieten schuchter heen en weer. Wanneer ik me omdraai zit ik naast de witte bloem aan de enkele stam. De geur vult m’n neus met een frisse zoete geur, een palet te breed om te verwoorden en te mooi om te beschrijven. Mijn vingers en voeten zijn genezen en m’n kleren lijken heel. Ik voel me rustig en kalm, sereen zelf. Toch klinkt er ergens een stemmetje dat ik de weg niet weet. De bloem neemt mijn aandacht en de uren gaan voorbij. Ik sta op wanneer ik besluit de weg te volgen, ik kijk nog één keer naar de bloem, heel zachtjes streel ik met mijn vinger of de witte blaadjes en duw ik mijn hand naar beneden. Gestaag loop ik terug naar het pad en dwing ik mezelf niet naar m’n vinger te kijken terwijl ik deze langzaam voel kloppen en steken.