Glas

Stilte, van het één op het andere moment stilte. Alsof de achtbaan ineens van stroom is ontsloten en alles op z’n plaats valt. Het verschil laat me duizelen en nuchter inventariseer ik de schade. Scherven tot waar mijn zicht reikt en nergens een lege plek om veilig te kunnen staan. De scherven op de grond, de scherven in m’n voeten, alles lijkt ineens merk- en voelbaar. Terwijl de informatieverwerking in m’n hoofd overuren draait analiseer ik de omgeving voor een 2e keer.

Muren ontsierd van posters en spiegels, teksten veelal niet meer leesbaar en reflecties te klein om echt iets te zien. Het aanblik lijkt op een orkaan in een huiskamer met teveel spiegels. Heel even flitsen er beelden door m’n hoofd van hoe het geweest moest zijn toen de tornado z’n aankondiging maakte. Ergens twijfel ik of ik de tornado de schuld kan geven van de ravage die ik hier vind of dat ik moet erkennen dat mijn eigen wezen ter verantwoording geroepen moet worden. Beide scenario’s geven nog teveel variabelen om conclusies te kunnen trekken terwijl ik langzaam naar de deur loop. Pijnscheutjes trekken vanuit m’n voeten omhoog terwijl ik naar beneden kijk en m’n pas stop. Verbaasd neem ik de schade op die me eerder niet opviel. Het optillen van m’n linkervoet gaat langzaam terwijl rechts schreeuwt voor lastverdeling. De zool van m’n voet lijkt als nieuw, alles is rood en plakt. Instinctief veeg ik met m’n vinger langs m’n voet en proef ik de zoete geur van m’n eigen bloed. Lang kan ik me niet verbazen en dwingt m’n rechtervoet dat ik de linker terug zet. De pijn van het plaatsen is niks in verhouding met de ontlasting die rechts dankbaar in ontvangst neemt. Het verplaatsen van het gewicht over beide voeten doet me goed. De emotie en mijn eigen perceptie lijken naadloos over te gaan in de leegte om me heen terwijl m’n mond droger en plakkerig lijkt te worden.

Heel even lijkt de kamer te draaien terwijl ik me op de deur blijf focussen, versprong de deur nu zojuist naar links of is mijn waarneming vertroebelt? Ik weet niet hoeveel stappen of hoelang ik ervoor nodig had om bij de deur te komen, maar opeens stond ik ervoor. Een kleine deur in een te grote kamer, nog geen 2 meter hoog en geen 90cm breed en toch leek de kamer erom heen gebouwd. De ronde klink uitnodigend om omgedraaid te worden, langzaam steek ik m’n linkerarm uit om de klink aan te raken en om te voelen of het echt is en niet mijn verbeelding. De knop voelt stevig en langzaam draai ik het linksom, een klik klinkt en ik laat de klink los. Langzaam draait de deur naar buiten open en een frisse aangename lucht komt me tegemoet. Voordat ik het zelf door heb sta ik al enkele passen buiten en kijk ik om me heen. Torens en muren gevolgd door bomen en parken vullen het landschap, vogels fluiten en vliegen van boom tot boom terwijl ik de lucht inadem en even binnenhoud. De lucht kleurt paars en de wolken lijken transparant aan de hemel te staan terwijl ik de paden bestudeer die voor me liggen.

Een misplaatst bankje aan de rand van het parkje waarin ik mij bevind bied rust, m’n voeten zijn rood en met aarde besmeurd. Ik voel de glasstukjes onder m’n zolen maar het lukt me met geen mogelijkheid om ze uit m’n voeten te halen. Googelend met stokjes en blaadjes probeer ik toch om m’n voeten te ontzien van oneffenheden, hoezeer ik ook prik en frot ze lijken hun plaats onder m’n voeten permanent ingenomen te hebben. Wanneer de schaduw van de boom over me heen valt en tijdsbesef langzaam begint te werken sta ik op en loop ik naar het eerste pad wat mijn ogen zien. Het lopen gaat nog ongemakkelijk maar bij iedere stap lijkt het steeds vloeiender te gaan. De bomen langs het pad lijken te bloeien zoals de meest gezonde bomen die ik ooit heb gezien, vele kleuren groen sieren de bladeren en de bast lijkt wel vloeibaar onder alle accenten die het toont. Wanneer ik m’n hand uitstrek naar de bast om te controleren of het echt vloeibaar is of toch mijn verbeelding, lijkt de boom weg te deinen van mijn hand. Verrast raak ik de bast aan, het moment vond later plaats dan ik dacht door het deinen. Als verf met een laagje voelt de bast aan, de kleuren mengen zich waar ik de bast aanraak. Pijn schiet door m’n vingers terwijl ik snel mijn hand wegtrek. Kleine sneetjes lopen over m’n vingertoppen en stukjes glas glisteren door het bloed heen. De verfbast van de boom mengt moeiteloos mijn bloed met de vele kleuren bruin tot een nieuwe kleur.

Om en om stop ik vingers van mijn linkerhand in m’n mond om het bloeden te stelpen, een warme ijzersmaak vult weeïg mijn mond terwijl ik over mijn schouder heen kijk. De transparante wolken lijken zwaarder en rommelen in de verte en de paarse gloed veranderd langzaam in donkerblauw. Ik probeer nog even met m’n tanden probeer om de stukjes te vinden zodat ik ze uit m’n vingers kan halen maar hoe ik ook zoek en bijt ik voel ze enkel door m’n vingertoppen heen bewegen. De lucht voor me kleurt nog paars en begin ik te lopen richting het park. Als verstomd sta ik stil en draai ik me om, ik hoef het niet te controleren maar instinctief draai ik me om. De deur waardoor ik hier gekomen was is weg, niet alleen de deur is weg maar de hele muur die erom heen stond is weg. Alsof ik het wist haal ik m’n schouders op en loop ik verder. Zolang ik op het pad loop merk ik niks of weinig van m’n voeten maar zodra ik het pad verlaat om de omgeving te bekijken lijkt het glas in m’n voeten naar boven te kruipen en me te dwingen om terug naar het pad te lopen. Ik doe m’n best om alle nieuwe dingen die ik tegen kom niet aan te raken, het kost me moeite om deze impulsen te negeren. Zo gewend om alles aan te raken, te voelen, de structuur waar te nemen. Is het poreus, vast of glad of krijg ik er kippenvel van zoals met sommige papiersoorten. Inmiddels zijn de vingers van beide handen gevoelig en rood, maar alles om me heen lijkt nieuw en mooi en ik ben steeds te laat om mezelf af te remmen.

Ik merk dat ik boos begin te worden, niet het zinloze boos wat ik graag verwerp en veroordeel maar de inwendige boosheid die je voor niemand behalve jezelf hebt. Irritatie vult me terwijl ik m’n hand snel wegtrek voordat ik weer iets aanraak en het pijn doet. Mijn stappen is stampen geworden terwijl ik mezelf gesel om op het pad te blijven. De tweestrijd vangt zich hernieuwd aan wanneer een witte bloem aan een enkele stam groeit. Ik kan niet bepalen of het een struik, boom of plant is, de lucht draagt een geur die enkel van de bloem kan zijn en lokt me van het pad af. Een onhandige tuimeling laat me vallen als mijn benen dienst weigeren. Mijn onderarmen klappen op het gras en verwachten zacht opgevangen te worden maar meteen trekt pijn door m’n lichaam heen. Ik schreeuw en probeer haastig overeind te komen, nog op m’n knieën lanceer ik mezelf terug op het pad. Met een luide plof land op het pad terwijl bloed van m’n handen en armen naar beneden stroomt. Mijn knieën lijken wel met een schuurpapiertje bewerkt. De paarse lucht is donkerblauw en alles word donker, het pad voor me lijkt spontaan te eindigen en achter me is de weg terug verdwenen. Terwijl om me heen alles in chaos verkeerd en het landschap van mooi naar ruig veranderde is het sereen in mijn hoofd. De boosheid is aanwezig maar is niet alleen. Spijtig besluit ik dat de term boosheid niet genoeg accenten heeft om correct gebruikt te worden. Als stemmen in een zaal klinken de beschuldigen van links naar rechts. “Leer eens luisteren!” “Wees niet zo koppig!” “Doe normaal” “Snap je dit nu echt niet?” De verwijten lijken zich op te bouwen terwijl de chaos van buiten langzaam binnendringt. Als mijn inwendige sta ik stil in de zaal, de stemmen bulderen en laten m’n lichaam trillen. Bloed loopt naar beneden en laten een rood spoor achter in de witte zaal. Met de handen op de oren in de hoop het geluid weg te drukken loop ik door, ik loop door hoezeer alles schreeuwt om stil te blijven staan om even bij te komen, om even niet te horen waar ik niet voor kan ontsnappen. “STA STIL!” Buldert een stem en de kracht ervan duwt me om. Rollend over de vloer krabbel ik mezelf overeind en blijf ik lopen. “STOP!” Schreeuwt een stem terwijl een muur van geluid tegen me aan knalt. Het kost me moeite om te blijven staan, ik kan niet zien waar de stemmen vandaan komen en vluchtig kijk ik over m’n schouder. De voetstappen achter mij glinsteren rood en lijken kris kras door elkaar te lopen. Ik voel m’n voeten niet meer, alles boven m’n knieën brand en trekt door me heen terwijl m’n armen om me heen zwaaien in krampachtige slagen om de pijn te ontwijken.

Voor me verschijnt een deur en mijn passen worden sneller en sneller. Nog 2x word ik ondersteboven geworpen door de stemmen, wat ze riepen klonk duidelijk maar ik wil het niet horen. Ik wil niet horen waar ze boos over zijn, ik wil niet horen wat ze denken. Ik wil naar buiten, naar die ene deur weg van hier van de herrie, weg van de stemmen. Sneller dat ik dacht sta ik voor de deur, geen knop of klink te bekennen terwijl ik m’n schouder tegen de deur aansmijt. De knal lanceert me naar achteren en ik voel m’n hoofd tegen de grond aanklappen. Tijd en zicht lijken wazig terwijl ik me meteen overeind duw. De stemmen schreeuwen om en om terwijl ik terug naar de deur strompel. Overal ligt bloed, maar het maakt niet uit. Alles brand, ik brand, niets brand. Met m’n armen naar de zijden opgeheven lijk ik het lawaai te verstoren terwijl de deur zich in mijn gedachten vormt. Mijn handen trillen maar het schild lijkt te werken. Ergens in mijzelf binnen mijzelf vind ik hetgeen wat ik zocht, ik kijk naar links en dan naar rechts. Ik weet dat ik de stemmen niet zal zien, maar ik kan ze horen. Ik schreeuw, alles brand en ik brand, ik sta in brand, vuur lijkt mijn stem terwijl ik het schild blijf dragen. Gedachten schieten door m’n hoofd, ongecontroleerd, ongefilterd terwijl ik mijn armen in één sla. De klap versterkt door de stemmen die ik zolang tegenhield vagen alles weg terwijl ik ineen zak.

De lucht kleurt paars terwijl ik langzaam m’n ogen open doe. Mijn oren suizen en verstoring lichtjes mijn oriëntatie gevoel. Ik ga zitten en kijk voorzichtig om me heen, de vogels fluiten en vliegen van boom tot boom. Kleine eekhoorntjes schieten schuchter heen en weer. Wanneer ik me omdraai zit ik naast de witte bloem aan de enkele stam. De geur vult m’n neus met een frisse zoete geur, een palet te breed om te verwoorden en te mooi om te beschrijven. Mijn vingers en voeten zijn genezen en m’n kleren lijken heel. Ik voel me rustig en kalm, sereen zelf. Toch klinkt er ergens een stemmetje dat ik de weg niet weet. De bloem neemt mijn aandacht en de uren gaan voorbij. Ik sta op wanneer ik besluit de weg te volgen, ik kijk nog één keer naar de bloem, heel zachtjes streel ik met mijn vinger of de witte blaadjes en duw ik mijn hand naar beneden. Gestaag loop ik terug naar het pad en dwing ik mezelf niet naar m’n vinger te kijken terwijl ik deze langzaam voel kloppen en steken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *