Kwaaak de Kikker en het maanelfje

Een held hoeft niet altijd groot of sterk te zijn. In een klein poldertje stond het huisje van Kwaaak de Kikker, het was een klein huisje met kleine raampjes. Als je door de raampjes heen keek dan kon je in de verte de vijver zien liggen. Kwaaak de Kikker lag op een warme zomeravond te woelen in z’n bed, hij kon maar niet slapen en had al van alles geprobeerd. Hij was onder de douche gaan staan, had warme melk gedronken en had al zeker 100 dikke bromvliegen geteld maar nog kon hij niet slapen. Toen Kwaaak de Kikker bijna in slaap viel hoorde hij opeens iemand huilen, hij hoorde het eerst heel zachtjes maar toen hij erop ging letten leek het steeds harder te klinken. Kwaaak de Kikker ging rechtop in bed zitten en bedacht zich wat het kon zijn. Op dit tijdstip zou iedereen toch echt moeten slapen, in gedachten probeerde hij zich voor te stellen wie het kon zijn. Het klonk te hoog voor Dirk Das, het klonk te snel voor Simon Schildpad en hij had Veerle Vos nog nooit zien huilen. Het huilen hield aan en Kwaaak de Kikker werd steeds nieuwsgieriger, hij stapte uit z’n bedje en liep naar de huiskamer om uit het raam te kijken. Hij zette z’n raam open en tuurde naar buiten, er was niks te zien in de weide en het geluid leek ook niet uit de bosjes te komen. Toen hij naar de vijver keek zag hij plots een flikkerend lichtje, Kwaaak deed z’n ogen helemaal open maar hij kon niet zien wat het lichtje was. Zonder erbij na te denken stapte hij naar buiten en liep hij richting de vijver.

Niemand leek nog wakker te zijn, behalve het huilen was het stil in de polder. Alles was donker en het enige licht wat Kwaaak de Kikker kon zien was het licht dat bij de vijver vandaan kwam. “Kwaaak, Kwaaak de Kikker!” Klonk het opeens van boven. Kwaaak de Kikker draaide zich om en keek naar boven. Daar zat Uli Uil op een tak, hij draaide met z’n hoofd rond zoals uilen dat doen en keek naar beneden. “Goedenavond, Uli Uil. Ik had niet door dat jij nog wakker was.” zei Kwaaak de Kikker. “Denk jij dat ik met die herrie kan slapen, Kwaaak de Kikker?” Vroeg Uli Uil. Kwaaak keek verbaasd naar Uli Uil. Hoe kon Uli Uil dat nu zeggen. “Heb je niet gekeken wie er aan het huilen is, Uli Uil?” Vroeg Kwaaak de Kikker. “Nee, natuurlijk niet maar als je die huilebalk vind zeg dan maar dat het moet stoppen, ik doe geen oog dicht.” Zei Uli Uil. Nadat ze elkaar een goede nacht hadden toegewenst liep Kwaaak de Kikker verder richting de vijver, het huilen klonk nu veel luider hij moest toch al dichterbij komen.

“Kwaaak, Kwaak de Kikker!” klonk het vanuit de bosjes, de bosjes ritselden zachtjes en Kwaaak de Kikker zag daar moeder Das en haar 6 kindjes met hun hoofdjes uit de bosjes gluren. “Goedenavond Moeder Das, Daan, Dag, Daav, Dafne, Dami en Dirk” Zei Kwaaak de Kikker. “Goedenavond, Kwaaak de Kikker.” zeiden de dasjes in koor. “Dus jullie kunnen ook niet slapen, ik wilde net gaan kijken waar het gehuil vandaan komt.” Zei Kwaaak de Kikker. De dasjes schudden eensgezind hun hoofdjes en moeder Das nam het woord. “Nee, alsof deze 6 bengels overdag al niet vermoeiend genoeg zijn, ik zou graag zelf gaan kijken waar het vandaan komt maar ik kan Dirk Das toch niet alleen laten met z’n broertjes en zusjes.” Zei moeder Das.

“U zult wel moe zijn” zei Kwaaak de Kikker en legde uit dat hij ging kijken waar het vandaan kwam. Dirk Das vroeg of Kwaaak de Kikker nog even een verhaaltje wilde vertellen maar moeder Das stak daar snel stokje voor. Heel even klonk het nog: “Maar Kwaaak de Kikker is ook nog wakker!” Maar moeder Das was wel wat gewend en terwijl ze haar jongen terug de bosjes in begeleide zei ze nog snel gedag tegen Kwaaak de Kikker. Terwijl Kwaaak de Kikker verder liep naar de vijver hoorde hij nog zachtjes achter hem de dassen jongen protesteren. Het huilen werd steeds duidelijker en toen Kwaaak de Kikker bij de vijver aankwam zag hij een fel lichtje midden in de vijver. Heel even bedacht hij zich toen hij aan de waterkant stond, z’n moeder had hem altijd verteld om ’s avonds niet te gaan zwemmen. Kwaaak de Kikker schrok heel even toen Simon Schildpad opeens z’n hoofd boven het water stak.

Simon Schildpad was een vriend van Kwaaak de Kikker, ze konden samen heerlijk in de vijver spelen maar het luisteren naar Simon Schildpad kon soms een beetje vervelend zijn omdat Simon Schildpad niet zo snel kon praten. “Kwaaak, Kwaaak de Kikkerrr!” Klonk de stem van Simon Schildpad. “Ik durf niet te slapen, er zit iets engs midden in de vijver en ik durf niet te gaan kijken.” Simon Schildpad stak z’n hoofd maar een klein beetje uit z’n schild en probeerde naar achter te kijken. “Ik ga toch even kijken. Niemand kan vanavond slapen en degene die huilt klink heel verdrietig” Zei Kwaak de Kikker terwijl hij op een lelieblad sprong. “Doe voorzichtig Kwaaak de Kikkerr” Zei Simon Schildpad terwijl hij z’n hoofd weer in z’n schild trok.

Vanaf het lelieblad had Kwaaak de Kikker een beter zicht op de vijver, op een lelieblad een paar meter voor hem scheen een fel licht. Helaas kon Kwaaak de Kikker nog niet zien wat het was maar het klonk heel verdrietig. Hij liet zich langzaam in het water zakken en zwom rustig naar het lelieblad toe. Als z’n moeder hem nu zou zien dan zou ze hem vertellen dat hij toch echt wel moest weten dat je ’s avonds niet gaat zwemmen maar Kwaaak de Kikker vond het huilen zo zielig dat hij niet anders kon.

Aangekomen bij het lelieblad met het felle lichtje, keek Kwaaak de Kikker z’n ogen uit. Op het lelieblad zat een klein elfje en ze huilde zo hard dat ze hem nog niet eens gezien had. Langzaam om haar niet te laten schrikken klom hij op het lelieblad. “Sorry, ik wil u niet storen maar kan ik u helpen?” Vroeg Kwaaak de Kikker. Het kleine elfje keek op met rode ogen en stopte even met huilen. Een klein glimlachje verscheen op haar mond. “Ik heet Kwaaak de Kikker.” Zei Kwaaak de Kikker. “Ik ben Mi het Maanelfje en ik ben mijn maanparel kwijt.” Ze had het nog maar net gezegd en ze begon weer te snikken. “Ach toe, niet huilen. We vinden je maanparel wel.” Zei Kwaaak de Kikker. Het maanelfje schoot overeind en gaf Kwaaak de Kikker een kus op z’n wang. Kwaaak de Kikker schrok even en werd helemaal rood, het was maar goed dat het buiten donker was al hielp het licht van het maanelfje niet om het goed verborgen te houden. Een zacht gegiechel klonk uit haar mond en Kwaaak de Kikker zocht heel even naar z’n woorden. Mi Maanelfje begon te vertellen dat ze haar maanparel in de vijver was kwijtgeraakt, ze had heel de avond gezocht om na te gaan waar ze haar maanparel had laten vallen maar ze kon het water niet in om daar verder te zoeken.

Natuurlijk bood Kwaaak de Kikker meteen aan om in het water te gaan zoeken, het enige probleem was dat hij in het donker niet onder water kan kijken. Mi Maanelfje keek een beetje moeilijk en leek na te denken, ze liep op Kwaaak de Kikker af en terwijl ze zei: “Niet schrikken.” Strooide ze een beetje maanpoeder over z’n neus heen. Meteen begon de neus van Kwaaak de Kikker licht te geven. Kwaaak de Kikker zette een stap achteruit en moest scheel kijken om z’n eigen neus licht te zien geven. “Dit zou moeten lukken.” Zei Kwaaak de Kikker zelfverzekerd en hij sprong het water in. “Kwaaak, Kwaaak de Kikker” Riep Mi Maanelfje. “Doe je wel voorzichtig?” Kwaaak draaide zich om en verzekerde Mi Maanelfje dat hij echt voorzichtig zou doen. Hij dook naar beneden en trapte hard met z’n voeten om zo snel mogelijk bij de bodem te komen.

Maanpoeder op je neus kriebelt behoorlijk en nog voor Kwaaak de Kikker bij de bodem was moest hij wel 5 keer niezen. Gelukkig vond Kwaaak de Kikker het niezen niet erg want het uitzicht onderwater met het maanpoeder op z’n neus was prachtig. Hij zwom langs de slapende vissen, die zelfs in hun slaap nog een blub blub beweging met hun mond maakten. Het groen van de waterplanten en de stengels van de waterlelies kregen een prachtige lichte kleur wanneer hij er langs zwom. Heel even moest hij nog aan z’n moeder denken en het niet zwemmen als het donker is, maar ja z’n moeder had er vast niet aan gedacht dat hij maanpoeder op z’n neus had. Toen Kwaaak de Kikker bij de bodem kwam moest hij even goed kijken, wanneer hij te hard met z’n poten sloeg waaide er zoveel zand van de bodem op dat hij ondanks het maanpoeder niets meer kon zien. Langzaam maar zeker begon hij de bodem van de vijver af te speuren voor de maanparel.

IJsberend liep Mi Maanelfje over het lelieblad, ze was zo onhandig geweest om de parel te laten vallen en nu die lieve Kwaaak de Kikker al minuten onderwater was begon ze zich druk te maken. Een paar keer dacht ze dat hij terug kwam maar na een paar belletjes in het water zag ze hem niet bovenkomen. Hrr, hoe kon ze toch zo onhandig zijn. Aan de linkerkant van het lelieblad kwamen er weer belletjes naar boven, ze liep naar de rand en staarde naar waar de belletjes omhoog gekomen waren. Toen ineens kwam er een klein lichtpuntje boven water uit gevolgd door de groene neus van Kwaaak de Kikker. Hij hield een kleine lichtgevende steen in z’n handen vast en hield die boven z’n hoofd. “Is dit de maanparel, Mi Maanelfje?” vroeg Kwaaak de Kikker. Mi Maanelfje pakte Kwaaak de Kikker vast en hielp hem op het lelieblad, haar ogen glinsterden in het licht van z’n neus. Zodra Kwaaak de Kikker goed op het lelieblad stond gaf hij Mi Maanelfje de maanparel. Ze pakte de maanparel en vloog in haar blijheid een stukje omhoog. Kwaaak de Kikker keek haar na en was blij haar zo vrolijk te zien. Ze gaf Kwaaak de Kikker een kus op z’n glinsterende neus en bedankte hem voor het vinden van de maanparel. Kwaaak de Kikker wist niet goed wat te zeggen terwijl hij Mi Maanelfje weg zag vliegen. Hij zwom naar de rand van de vijver en liep tevreden naar z’n huisje toe. Thuisgekomen ging hij direct slapen. Toen de volgende dag Dirk Das was gaan kijken hoe het met z’n vriend ging en Kwaaak de Kikker z’n deur niet opendeed. Opende hij de deur en riep:  “Kwaaak, Kwaaak de Kikker, ik ben het Dirk Das.” Net op dat moment liep Kwaaak de Kikker de kamer in. Hij had bijna de hele ochtend geslapen vanwege z’n avonturen met Mi Maanelfje. “Goedemorgen Kwaaak de Kikker!” Zei Dirk toen hij Kwaaak de Kikker zag. Toen Dirk Das vroeg wat er op de neus van Kwaaak de Kikker zat en Kwaaak de Kikker heel het verhaal vertelde kon Dirk Das z’n oren niet geloven.

Een gedachte over “Kwaaak de Kikker en het maanelfje”

  1. Hoi Frank,

    Mag veronderstellen dat kritiek ook opbouwend kan zijn. Heb beide gedaan, gelezen en beluisterd. Het tempo is te hoog. Je bouwt op een knappe manier een spanningsboog op, en geeft tegelijkertijd de luisteraar niet de tijd om er aan te wennen.
    Echt, ik meen het oprecht, ik vind het heel knap van je, maar iets meer geduld, iets meer gedragen, en het zal perfect worden.
    Liefs,
    Pap

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *